Voordracht ‘Onderwijsdialoog: professionele ruimte van de leraar’

De onderstaande tekst is voorgedragen tijdens de Onderwijsdialoog over de professionele ruimte van de leraar, geïnitieerd door de Onderwijsraad op verzoek van de Tweede Kamer. Het is een antwoord op de vraag wat ik als docent versta onder professionele ruimte en hoe zich die uit bij het ontwikkelen van informatica-onderwijs voor de onderbouw van het voortgezet onderwijs.

In 2013 ontstond er een vacature hier op Hyperion: docent Lifestyle Informatics. Een schooleigen vak voor de onderbouw waarin computerwetenschap en digitale geletterdheid centraal staan. Voor iemand die houdt van programmeren en grafische vormgeving, en gefascineerd is door webcultuur, is zo’n baan natuurlijk een feest. Voor mij was het ook een uitgelezen kans om na twaalf jaar het basisonderwijs te ontvluchten. Ik was namelijk hard op weg een gedemotiveerde uitvoerder te worden. Ik was geen slechte uitvoerder, maar waar ik in het begin van mijn carriere nog een aangename afwisseling zag in het dagrooster van een schoolmeester, begon ruim tien jaar later het gebrek aan focus mij op te breken. Voor het derde jaar op rij nam ik ontslag of liet ik een vaste aanstelling lopen, en koos ik voor een nieuw avontuur.

“The only way to do great work is to love what you do. If you haven’t found it yet, keep looking. Don’t settle.” – Steve Jobs

Bij mijn afstuderen aan de pabo, in 2001, werd mij door een docent op het hart gedrukt dat al dat gehobby met computers leuk en aardig was, maar dat die dingen in het onderwijs slechts bijzaak waren. Maar net zoals Piketty een steeds groter wordende kloof tussen arm en rijk voorspelt, dreigt er ook een kloof te ontstaan tussen zij die kunnen programmeren en zij die een computer slechts passief kunnen gebruiken. Elke student aan elke universitaire studie is erbij gebaat dat hij de toenemende berg aan informatie kan analyseren. Dat hij kan modelleren en programmeren, en dat hij denkmodellen als computational thinking kan toepassen voor de discipline waarin hij zich specialiseert.

Er is geen methode voor het vak dat ik geef, daarom schrijven we die zelf. Om de kwaliteit en relevantie van die lessen te kunnen garanderen, bepalen we de leerdoelen op basis van de concepten van het keuzevak informatica. Programmeren, databases, privacy, mens-machine-interactie, enzovoorts. Die worden in een actuele context aangeboden. Vervolgens maken de leerlingen een digitaal product waarin die onderliggende concepten op een praktische manier tot uiting komen.

De schoolleiding bepaalt niet wat er aangeboden moet worden want wij zijn de deskundigen op dit gebied, of we zijn dat op z’n minst aan het worden. Dat vertrouwen krijgen we van ze. We geven zelf de lessen die we ontwerpen en kunnen zo in hele korte cycli ons onderwijs verbeteren. Elke dag ben je namelijk met je leerlingen in gesprek om ze feedback te geven op hun leren, en om feedback te krijgen op de lessen die je hebt ontworpen. Je luistert naar je leerlingen en past je lessen daarop aan. Een kritische houding en het voortdurend blijven verbeteren van je onderwijs is daarbij essentieel. Alle lessen die ik ontwikkel, plaats ik openbaar op Internet voor iedereen die er op welke manier dan ook zelf mee aan de slag wil. Dat kan een docent, maar net zo goed een leerling, van een andere school zijn. Het toevoegen van kennisteksten en kennisclips maakt die lessen namelijk minder leerkrachtafhankelijk.

Om zelf op de hoogte te blijven van ontwikkelingen in het vakgebied en om nieuwe ideeën op te doen bezoek ik scholingsbijeenkomsten. Het Steunpunt Betapartners speelt daarin een belangrijke rol. En van de vijfhonderd euro die ik per jaar mag besteden aan mijn eigen professionalisering, betaal ik mijn account bij de website Codeschool om mijn kennis van programeertalen bij te spijkeren. Ik heb net een termijn als bestuurslid van de vakvereniging van informaticadocenten afgerond waarin ik met mijn neus bovenop de ontwikkelingen kon zitten. Ik spreek af met docenten van andere scholen en ontwikkel samen met hen een doorgaande leerlijn programmeren.

En elke twee weken stap ik in de trein naar Windesheim om daar de opleiding tot Docent ICT te volgen. Die bereidt voornamelijk voor op het lesgeven in het MBO, maar het levert nou eenmaal de vereiste tweedegraads bevoegdheid op. Een meer relevante lerarenopleiding is er op dit moment in deeltijd helaas niet. Van alle dingen die ik doe om een betere docent te worden en dit vak te ontwikkelen, helpt deze opleiding mij het minst vooruit. Een HBO-master, die in samenwerking met universiteiten meer nadruk legt op computerwetenschap in plaats van netwerkbeheer, zou hier een veel beter alternatief voor zijn.

“It doesn’t make sense to hire smart people and tell them what to do; We hire smart people so they can tell us what to do” – Steve Jobs

De autonomie die ik op deze school krijg en wat ik zelf doe om kwaliteit te leveren zijn twee belangrijke kenmerken van mijn professionele ruimte, maar niet de enige. Ik werk hier in een team dat bestaat uit enthousiastelingen. Mensen die het leuk vinden om les te geven, om na te denken over hoe het eigentijdser en beter kan. Het is een enorme verademing om geregeld te praten met mensen die intelligenter zijn dan jij zelf of gewoon meer kennis van zaken hebben op een bepaald gebied. Mensen die ook interesse tonen en elkaar complimenteren. En natuurlijk wordt er op vrijdagmiddag een borrel met elkaar gedronken. In het klassieke succesmodel van autonomie, competentie en relatie zorgen zij voor dat laatste.

Natuurlijk zijn er ook valkuilen, bijvoorbeeld in het efficiënt omgaan met je uren.
Ik maak veel te graag veel te uitgebreide presentaties omdat de les daar zo goed van in mijn hoofd gaat zitten. Voor de brugklassen vertaalde ik een hele cursus vanuit het Engels naar het Nederlands terwijl daar achteraf gezien een hele mooie mogelijkheid voor vakoverstijgend onderwijs lag.

Binnen een sectie kunnen docenten zitten met verschillende stijlen van lesgeven. En computerwetenschap is ook nog eens een enorm brede discipline. Hoe bepaal je wat relevant is voor jouw leerlingen? En hoe bouw je een curriculum en bijbehorend lesmateriaal waar alle typen docenten mee uit de voeten kunnen?

Het schrijven van een eigen methode kan er natuurlijk ook toe leiden dat je weer methodeslaaf wordt, maar dan van je eigen methode. Je gaat dingen doen omdat je ze vorig jaar ook zo deed en omdat het je zoveel energie heeft gekost om het te ontwikkelen.

Ik eindig graag op een positieve noot met nog enkele succesfactoren:
Hyperion laat mij een vergadering of werkmiddag overslaan als Betapartners op hetzelfde tijdstip een bijeenkomst voor informaticadocenten organiseert.
Op het moment dat lesobservaties en leerlingenquêtes uitwijzen dat het qua pedagogiek en didactiek goed gaat, wordt die docent gevraagd om in de onderwijswerkgroep aan te schuiven. Die werkgroep probeert schoolbeleid vanuit de docenten te laten ontstaan.
En tenslotte zijn de vakoverstijgende lessen zeer de moeite waard. Samen met de vakken Grote Denkers en Logica & Argumentatieleer ontwikkelen we een project Kunstmatige Intelligentie, een onderwerp dat raakvlakken met al die vakgebieden heeft. De leerlingen leren over die samenhang en leveren na zes weken een werkend intelligent systeem op, voorzover dat systeem intelligent kán zijn. Maar onder meer dat inzicht maakt het project juist zo waardevol.

Purpose

Ik ben nu niet meer de uitvoerder die in groep 7 lesjes draait. Ik ontwerp mijn eigen onderwijs in een vakgebied dat ik enorm boeiend en leuk vind. Een vakgebied waarin ik steeds meer bekwaamheid ontwikkel en waar een steeds groter wordende behoefte aan is. En ik krijg ervoor betaald. Dat gun ik elke docent op elke school, mits hij dat zelf ook echt wil.

Berry Nieskens
Docent Informatics
Hyperion Lyceum, Amsterdam

Leave a Reply